Wetenswaardigheden

 

Hieronder vindt u

 

1. Geschiedenis van de Evangelische Lutherse Gemeente te Breda.

2. Beschrijving van kerk en crypte.

3. Beschrijving van het Van Oeckelen-orgel.


 

1. Geschiedenis van de Evangelische Lutherse Gemeente te Breda.

2. Beschrijving van kerk en crypte.

3. Beschrijving van het Van Oeckelen-orgel.

 

1.Geschiedenis van de Evangelisch Lutherse Gemeente te Breda.

Maarten Luther (Duits: Martin Luther) wordt geboren in Eisleben in Duitsland op 10 november 1483. Luther was een zeer belangrijke Duitse protestantse theoloog en reformator. Hij is daarentegen begonnen als augustijner monnik (1506).  De publicatie van zijn stellingen tegen o.a de handel in aflaten op 31 oktober 1517 is het symbolische begin van de reformatie. In 1521 werd Luther geëxcommuniceerd door paus Leo X. De naam Luther wordt dikwijls in één adem genoemd met de reformatoren Huldrych Zwingli en Johannes Calvijn. De laatste kreeg meer voet aan de grond in Nederland. De meeste Nederlanders zijn dan ook meer bekend met de calvanistische, dan met de lutherse stroming in het protestantisme.

Lodewijk van Nassau

Willem van Oranje Nassau

De geschiedenis van de lutherse kerk te Breda gaat terug tot het jaar van de beeldenstorm; 1566. Er zijn stukken teruggevonden waarin een zekere Cornelis van Brugge spreekt over de lutheranen en zegt; “zij zijn al begonnen er openbaerlick te prediken." Eén van de eerste lutheranen in Breda was Lodewijk van Nassau (zie foto), broer en secretaris van  prins Willem van Oranje - Nassau. Hij werd in 1556 gouverneur van Breda. Willem van Oranje, was vóór zijn verblijf aan het hof van Karel V in Brussel ook  lutheraan en trad in 1561 in het huwelijk met de lutherse Anna van Saksen.

 

 

Even wat jaartallen op een rijtje

1483- Geboorte van Maarten Luther; kerkhervormer.

1517- Luther hangt de 95 stellingen op de deur van de slotkapel te Wittenberg.

1566- De eerste vermelding van luteranen in Breda

1579- De lutheranen krijgen een huis toegewezen om in te kerken; de Spilschuur aan de noordzijde van de Nieuwstraat.

1618- De heer van Breda, prins Maurits, verleent toestemming tot vrije prediking en men huurt bij de waterpoort een schuur om er kerkdiensten te houden.

1621- Een achterhuis met erf wordt gekocht aan de Nieuwstraat en wordt in gebruik genomen als kerk.

1641- De lutherse gemeente is genoodzaakt de kerk te vergroten. De groei komt vooral tot stand door de komst van lutherse militairen, veelal Duitse huursoldaten.

1777- Vanwege toenemende bouwvalligheid van het kerkgebouw koopt de lutherse gemeente op 1 september 1777 een partriciërswoning met voorplein aan de Veemarktstraat met de naam “Repos Alieurs”.

1782- Het pand wordt grotendeels gesloopt in 1782 voor het realiseren van de nieuwe lutherse schuilkerk. De verbouwing en bouw ervan duren ca. 4 jaar.

1784-1785- De predikant kan zijn intrek nemen in de pastorie Stadserf 3 en in het daarop volgende jaar wordt de kerk ingewijd.

20e eeuw- Vanaf 1921 is de predikant niet meer uitsluitend voor Breda. Er komt een combinatie tot stand met de lutherse gemeenten Den Bosch en Heusden. Deze samenwerking wordt in 1961 weer verbroken. Sindsdien gaat de lutherse gemeente Breda zelfstandig verder. De kerk en de crypte worden in 1964 op de lijst van monumentenzorg geplaatst. In 1966 tot 1967 vindt er een grote restauratie plaats.

 

2. Beschrijving van de kerk en crypte

 

Kerk

De kerk is een langgerekt gebouw en overdekt door een schilddak en geheel onderkelderd door tongewelven.

Het gebouw kent zijn oorsprong in de 15e eeuw en is gebouwd als woonhuis met voorhof. De kelder ,de crypte, is een laatmiddeleeuws bouwwerk.

In de kerkzaal zijn echter weinig overblijfselen te vinden van de 15e eeuw. De partriciërswoning met de naam "Repo Alieurs" wordt, zoals hier boven al genoemd, in 1777 gekocht en in 1782 grotendeels gesloopt en verbouwd. De tongewelven onder het huis blijven veelal intact.

 

Gevel/ muren

De wijzigingen van 1784 waren dus zeer rigoureus. Niet alleen verdwenen alle tussenvloeren boven de begane grond, ook de kap werd gewijzigd. In de zuidgevel kwamen steunberen en vensters.  Ook in de noordgevel is een steunbeer toegevoegd. In 1838 is de kerk wederom verbouwd en uit die tijd dateren de spitsboogvensters.

Het luidklokje buiten de kerk is afkomstig uit het oude carrillon van de grote kerk te Breda. Het wordt geluid op zondag tijdens het onze vader.

 

Interieur; kerkzaal

In de kap en het plafond, van de kerkzaal zijn de onderste spantstukken nog uit de 15e eeuw bewaard gebleven. De nummering daarvan toont twee reeksen gesneden telmerken. De merken aan de linkerzijde hebben een schuine dwarsstreep, zoals gedurende de laatgotische periode in het Nederlandstalige gebied ten zuiden van de grote rivieren gebruikelijk was. Na 1550 zijn deze niet meer toegepast. In de 20e eeuw bleken sommige balken in de kerkzaal verrot te zijn. Op last van de gemeente Breda werd de kerk gesloten vanwege de onveilige situatie. Later is deze m.b.v. subsidies hersteld.

 

Aan de wand van het liturgisch gedeelte hangt een koperen reliëf met de tekst "de liefde zoekt zichzelf niet” en met de afbeelding van een gestilleerd kruis met koperen stroken en biddende handen. De kroonluchter dateert uit 1726.

  

 

Het glas- in- loodraam boven de toegangsdeur is een gift uit de beginjaren ‘90. Een echt luthers raam met het portret van Luther en lutherroos. En de woorden van Luther; “Sola fide, sola gratia”  wat staat voor enkel door geloof , enkel door vergeving.

De preekstoel is in Hollands Classicistische Stijl. Het rugschot is vervaardigd uit een deel van de vroegere houten wand van de kerk. De trap is er later op aangebracht en is typisch Lodewijk de XIV-stijl. De staande lezenaar is  van 1967. Het doopvont is achthoekig en het doopbeken bevat de tekst; "laat de kinderen tot my komen derzulken in het koninkrijk Gods."

Het inwijdingsbord boven de toegangdeur vanuit het stadserf dateert waarschijnlijk uit 1786. Het jaar waarin deze kerk werd ingewijd. Op het bord staat de tekst; "Ik zal Vrede geven aan deze Plaats spreekt de Heer" .

Rechts van de toegangsdeur vindt men een bord met daarop de namen van de beroepen predikanten en ouderlingen. Rechts naast het orgel vindt men het vervolg. De armstoel in het liturgisch deel, de zgn. bisschopsstoel met neo-gotisch snijwerk is van 1967. De paaskandelaar was een gift in 1991.

 

De consistoriekamer

De consistoriekamer bevindt zich in een laat-18de eeuws gebouw.

 

Crypte

De uit de eerste helft van de 15e eeuw stammende kelders hebben gediend als keuken en opslagplaats. Ze zijn betegeld met spijkertegeltjes. In de hoeken van de wand- en vloertegels vindt u nog kleine puntjes waar de spijkers hebben gezeten tijdens het bakproces. In de kelder zijn meerdere stookplaatsen geweest. Eén hiervan ziet u tegen de oosterlijke kopkant welke in 1966 is gerestaureerd en voorzien van schouw. 

De noordmuur vertoont vuil werk en zal dus grotendeels een belending hebben gehad. Wel is er een gemetselde gootlijst.

De haardplaat is een gift van architekt De Wilde uit Breda in 1967.

 

De tien zware stoelen komen uit het bezit van Arnold Meyer, stichter en leider van de fascistische beweging Zwart Front in Breda. Zijn bezittingen zijn na de oorlog in beslag genomen en verkocht. De stoelen zijn geschonken aan de lutherse gemeente.

  

Doopbogen

Tijdens de verbouwing van 1966-1967 werd van de tuin het doophek verwijderd, maar de koperen bogen op sokkels teruggeplaatst achterin de kerk. Ze staan nu op sokkels achterin de kerk. Op de bogen bevindt zich een zwaan evenals de letters MH en SA

 

Op grond van de naam van de woning "Repo sAlileurs" heeft men eertijds ten onrechte verondersteld dat ze ooit bewoond zou zijn geweest door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, die vermoedelijk de auteur is van het Wilhelmus en de tekst  “Repos Alileurs” in zijn wapen voerde. Ook was het verleidelijk de letters MH en SA op de doopbogen in de kerk met hem in verband te brengen; Marnix Heer van Sint Aldegonde (zie foto hiernaast). Hij verbleef wel enkele malen in Breda, maar heeft hier nooit gewoond. De spreuk "Repos Alieurs" was namelijk ook het devies van jonkheer Willem de Hertoghe,  die het huis bezat van 1613 tot 1627. MH en SA zijn vermoedelijk initialen van het echtpaar dat de doopbogen schonk.

Bron: Jaarboek van Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda, de Oranjeboom X. 1957, p. 142-147. Met afbn. “Woonde Marnix in het huis "Repos Alieurs" te Breda? auteur P. Scherft.

 

 

In Breda is nu een kleine actieve lutherse gemeente met een eigen (lutherse) predikante binnen de Protestantse Kerk in Nederland met in totaal ca. 140 leden. En viert iedere zondag om 10:30 een eredienst.

 

 

3. Het Van Oeckelen-orgel lutherse kerk te Breda.

 

 

Van het orgel weten we dat hieraan in 1763 werd gewerkt door de heer Ludwig König. Wellicht deed hij dit werk tijdens of na werkzaamheden in de Waalse Kerk. In 1889 – 1891 vervaardigde de fa. P. van Oeckelen en Zoonen te

 

Harenermolen (Groningen) voor dfl. 1680,- een nieuw orgel in de bestaande kast. Deze heeft een fraai front met klassieke indeling van hoge midden-toren, 2 lagere zij-torens en tussenvelden, met mooi houtsnijwerk, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 19e eeuw.

 

 

In 1926-1929 werd een verbouwing uitgevoerd: de achterwand moest worden vernieuwd (schade door houtworm) en pijpen vervangen. Zij brachten een register Orkestfluit 4’ aan van 56 pijpen, maar van inferieure metaalkwaliteit (zink). Trots vermelden de notulen van de kerkenraadsvergadering dat in 1930 het vernieuwde (liever gezegd: vernielde!) orgel gereed is en in gebruik genomen.

 

In 1987-1989 werd er een grote reparatie en restauratiebeurt uitgevoerd. De inferieure Orkestfluit-pijpen werden vervangen door Octaaf 4’ – 56 pijpen.

In 1988 zijn houten delen van de antieke orgelkast gerestaureerd door L. v.d. Berg te Breda en de gehele kast door restauratieschilder John G. Post te Breda. Nu is het orgel weer in oude staat herrezen en bespeelbaar voor o.a orgelconcerten. J. Post restaureerde ook een schilderij (schoorsteenstuk) en kwam daarbij het jaar 1838 tegen. Tevens wees hij op de grote overeenkomst van marmerschilderen op het schilderij in de consistoriekamer en de pilaren onder het orgelbordes.

In zijn publicatie van 1975 (Orgelbezit) dateert Jaspers het orgelfront ook uit de eerste helft van de 19e eeuw en typeert het als een fraai orgel. De speelaard is goed, de klank bescheiden en romantisch.

 

 **********************************************

 

 

Interessante link

 

Link naar de website Reflex Breda

 

www.reflexbreda.nl

 



 

**********************************************

 

 

 

**********************************************

Gedicht

 

In de drukte van de steden

lijkt de hemel

van de mensen ver vandaan,

maar vermoedend dat er tekens

van Aanwezigheid bestaan

ga ik dwalend langs de huizen

kijk en luister,

hoor gefluister in de Wind

langs de muren, over pleinen

zwerf ik verder tot ik vind.

 

                        (Marijke de Bruijne, uit: liederen voor de toekomst, Kok-Kampen, 2005)

 

**********************************************

 

........................................................

 

LUTHARANA  7. 

We hebben gezien, dat bij Luther het geloof niet iets vrijblijvends is. Niet iets is waarover je nadenkt en praat met anderen en, als je uitgepraat bent, het weer van je afzet en over gaat tot de orde van de dag. Nee, zo niet! Dan blijft het geloof iets vreemds dat niet bij je hoort. Het echte geloof neemt bezit van je, doet iets met je en is tenslotte zozeer met je persoon verweven, dat je bewust en onbewust vanuit dit geloof leeft. Het is dus veel meer een grondhouding, vanwaar uit wij leven, dan een wetenschap die uitlegt hoe het precies zit. (Wantrouw dus iedereen, ook al is hij theoloog of professor, die even komt vertellen hoe het met God gesteld is!). We hebben dit toegelicht met een citaat van Luther uit de kleine catechismus, waarin hij het eerste geloofsartikel toelicht: “ Ik geloof in God de Vader, de almachtige schepper van hemel en aarde”(zie Lutherana 6 ).Luther schreef de kleine cate-chismus ten behoeve van geloofsonderricht in de huiskamer. Op zeer eenvoudige, maar tegelijk kernachtige wijze worden in de kleine catechismus een aantal essentiële kwesties v.h. christelijk geloof  besproken in de vorm van vraag en antwoord. Dezelfde thema’s behandelt Luther ook in de grote catechismus. Hij heeft deze catechismus geschreven ten behoeve van de bij- en nascholing van de toenmalige predikanten, die er in zijn ogen nogal eens een potje van maakten. De grote cate-chismus is veel uitvoeriger dan de kleine en  behandelt dezelfde thema’s vaak vanuit andere invalshoeken. De doelgroep was immers anders.  Bij zijn toelichting in de grote catechismus op het eerste geloofsartikel komt eveneens ter sprake, dat ik Gods schepsel ben en ook  alles wat ik om te leven verder nodig heb. Dit moet volgens Luther vanzelf leiden tot een bepaalde levenshouding. Luister maar:” Daar ons dit alles wat wij bezitten en ook alles wat in de hemel en op aarde is, ons dagelijks door God gegeven, onderhouden en bewaard wordt, zouden wij hem voortdurend moeten liefhebben, loven en danken. Maar hoe weinigen zijn er toch die dit echt geloven! Want, als wij het van harte zouden geloven zouden wij ons niet zo hoogmoedig gedragen en een hoge borst opzetten, alsof wij het leven, rijkdom, macht en eer enz. van onszelf zouden hebben. Daarom is dit geloofsartikel nodig om ons er aan te herinneren, dat wijzelf een schepsel van God zijn en er daarom (en alleen daarom) er mogen zijn. Daarom moeten wij ons deze waarheid blijven herinneren, opdat ons hart verwarmd wordt en ontvlamt in dankbaarheid voor al deze goede dingen en wij al deze goede dingen tot Gods eer en lof mogen gebruiken. Dit artikel herinnert ons eraan hoe de Vader zich met alle schepselen aan ons gegeven heeft en ons rijkelijk in dit leven verzorgt, ook al denken wij soms van niet”. De grondhouding van waaruit een christen in het leven staat wordt dus volgens Luther gekenmerkt door bescheidenheid en  dankbaarheid. Herkent u zich als christen van de Lutherse traditie hierin.

Dr. G. de Keizer.

.........................................

 

LUTHERANA 9

 

Het is voor Luther vanzelfsprekend, dat God de grond van alle bestaan is. Hij is de schepper van hemel en aarde, van alles wat op de aarde is, ook van mensen, van elk van ons individueel en van alles wat wij nodig hebben. Maar even-zeer is het voor hem vanzelfsprekend, dat wij (Zijn schep-selen) niet in staat zijn Hem te bevatten, te begrijpen. God is God, is van een andere dimensie dan Zijn schepselen (met wie hij wel verbonden is). Wij zijn te beperkt om Zijn raadsbesluiten te kunnen doorzien. Hij is en blijft een verborgen God. Hij is en Hij zal zijn, maar hoe en waarom is niet voor ons te bevatten. We kunnen Hem ervaren, we zien Zijn werken, maar dat betekent niet, dat wij Hem begrijpen. We zien Hem hoogstens indirect, we zien God op de rug, als we Hem al zien. Maar de verborgen God heeft Zijn liefde voor ons getoond in de gekruisigde Jezus, Zijn zoon, die nu een met Hem is. In tegenstelling tot God kunnen we Jezus wel begrijpen.

Als de ware mens heeft hij ons voorgeleefd hoe het is bij God te blijven. En God heeft de kracht van Zijn liefde in hem geopenbaard en hem niet aan de dood gelaten, maar opgewekt tot het eeuwig leven. Daarom staat Jezus Christus in het geloof voor ons centraal. Alleen door in hem te geloven en op hem te vertrouwen ervaren wij de liefde van God zelf. Dat is ons genoeg. Onvoorstelbaar genoeg. Maar tegelijkertijd: buiten hem om blijft God voor ons onbegrepen. Daarom heet het Lutherse geloof christo-centrisch te zijn. Jezus Christus staat in het centrum van de Lutherse ge-loofsbeleving. Haal hem daar weg en ons geloof stort als een ruïne in elkaar. Is het vreemd, dat wij gaan staan als Jezus Christus bij de lezing van het Heilig Evangelie onze eredienst binnenkomt? In een opgetekend citaat uit de tafelgesprekken zegt Luther:: “Buiten Christus kan men God niet begrijpen.

 

Ik klaagde eens mijn nood aan Dr. Staupitz, dat ik soms hard werd bestreden op het punt van de verkiezing.Waarop deze tot mij zeide: In de woorden van Christus wordt de verkiezing gevonden en nergens anders, want er staat geschreven: naar Hem zult gij horen (Matth. 17:5). De Vader is te hoog; daarom zegt Hij: “Ik zal een weg geven, waarop gij tot Mij kunt

komen, nl. Christus. Geloof in hem, vertrouw op hem, dan zult gij te weten komen wie Ik ben”. Maar wat is de zaak? Wij doen dat niet en daarom blijft Hij voor ons in nevelen gehuld; wij kunnen niet bedenken wie Hij is en nog minder wat Hij denkt of wil. Hij wordt niet begrepen en Hij wil dat buiten Christus om ook niet zijn. Bij hem alleen kunt ge vinden wat en wie God is en wat God verlangt.

Verder is het nergens in hemel en op aarde te vinden.
Christus in het middelpunt. Daarbuiten is geen geloof en geen kennis van God mogelijk.

dr. G. de Keizer

     --------------------------------------------------------------------------                     

 

 

 

Lutherana 10

 

Toen een neefje van ons deze zomer gedoopt werd in Thessaloniki in de Grieks-orthodoxe traditie ( zijn moeder was Griekse) besefte ik weer eens hoe wij hier in het westen het doop-ritueel verschraald hebben. Het neefje ( 1 jaar oud) werd helemaal uitgekleed en in een groot doopvont, gevuld met lauw water ondergedompeld ( het hoofdje natuurlijk niet; dat werd apart overgoten) en vervolgens omhoog er weer uit gehaald. Daarna gezalfd en in nieuwe kleren  aan iedereen getoond. Je had hem moeten zien stralen. Daarna natuurlijk groot familiefeest.

In de tijd van Luther moet dat ongeveer ook zo gegaan zijn, getuige het fraaie schilderij in de stadskerk te Wittenberg met afbeelding van zo’n groot font/bassin en een naakt kind dat op de arm van de predikant  uit het water is getrokken. Je ziet het water van dat kind afdruipen.

Onderdompelen en gereinigd omhoogkomen is ook het ritueel, zoals in de bijbel wordt beschreven. Zie bv het begin van het Marcus evangelie. Ook Jezus werd ondergedompeld in het water van de Jordaan en kwam er weer uit omhoog.

 Luther legt in de grote catechismus de symbolische waarde van dit ritueel uit. Hij schrijft: “ Tenslotte moeten wij ook goed weten wat de Doop betekent en waarom God juist zulke uiterlijke tekenen en gebaren verordent bij dit sacrament waardoor wij van de aanvang af in de christenheid opgenomen worden. Het werk of het gebaar is nu dit, dat men ons in het water, dat over ons heen gaat, onderdompelt en ons daarna er weer uittrekt. Deze twee stukken, ondergedompeld worden en weer omhoog komen, tonen de werking aan en de kracht van de doop. Deze is niets anders dan het doden van de oude Adam en daarna het opstaan van de nieuwe mens, die beiden een leven lang naast elkander voortbestaan. Dat is het rechte gebruik van de doop onder christenen, aangeduid door het onderdompelen in het water.”

Het onderdompelen en weer omhoogkomen zijn schitterende tekenen van waar het in werkelijkheid omgaat en wat er met de dopeling gebeurt. Maar op enig moment is in het westerse kerkgebruik dit ritueel verschraalt tot het sprenkelen van enkele druppeltjes water op het hoofd van de dopeling. Een wel erg zuinige en iele uitvoering van wat het oorspronkelijk was. Waarom dit is gebeurd weet ik niet, maar het is naar mijn gevoelen wel ten koste gegaan van de aanschouwelijke voorstelling van het verdrinken van de oude Adam en het gereinigd en herboren weer boven komen. Jammer, vindt u ook niet? Wat zou Luther ervan vinden? Met ons “druppeltjes-ritueel” had hij de geciteerde passage uit de grote catechismus in ieder geval niet kunnen schrijven.

 

Dr. G. De Keizer

.........................................................

 

 

LUTHERANA 11

 

Hoe moeten we de bijbel lezen? Als een geschiedenisboek, een historisch journaal, er uit pikken wat ons uitkomt en niet kijken naar passages die ons storen? Voor veel mensen is het een probleem. Hoe moet ik de bijbel lezen en hoe niet? Luther worstelde aanvankelijk ook met dit probleem, maar kwam er tenslotte op verrassend bevrijdende wijze uit. Hij ontdekte, dat niet in de eerste plaats wij iets met de bijbel moeten doen, maar dat de bijbel iets met ons doet. Als we onbevooroordeeld in de schrift lezen ( en dat moeten we doen, telkens weer, liefst met regelmaat) en het gelezene overdenken dan gaat de bijbel “leven”, dat wil zeggen voor ons leven. Wij gaan dan in al die getuigenissen van mensen, in al die verhalen over de omgang met God en in al die beelden de stem van God herkennen. En die stem is dan geen verre echo meer uit lang vervlogen tijden, maar die stem spreekt ons rechtstreeks aan. Jazeker, ons persoonlijk.  Zodoende gaat de bijbel levend met ons om en wij met de bijbel. Zodoende wordt de bijbel, zoals Luther dat zegt, voor ons een huis om in te wonen. Door onbevangen te lezen en te overdenken kan door de werking van de Heilige Geest God zich aan ons openbaren als een nabije God, die  voor ons persoonlijk  een genadige God blijkt te zijn. Daarom vond Luther het zo belangrijk, dat iedereen die lezen kon zelf in de bijbel moest lezen. Daarom ook heeft hij de bijbel in de volkstaal vertaald. Niet een geleerde moest vertellen wat er staat, maar de bijbel moest zichzelf uitleggen aan de lezer.

Als we zo zonder dwang of vooroordelen lezen zal blijken , dat een en dezelfde tekst soms een verschillende betekenis voor ons kan hebben, afhankelijk van de situatie waarin wij ons bevinden, afhankelijk ook van onze geestelijke toestand. Maar altijd is de tekst op ons persoonlijk betrokken. God spreekt dan tot ons , via de Heilige Schrift, op een wijze die op dat moment bij ons past. En ons persoonlijk raakt.

Luther  onderscheidt in het spanningsveld van verschillende uitleg van eenzelfde tekst twee uitersten die altijd samen aanwezig zijn: wet en evangelie. Om misverstanden te voorkomen; wet is niet het oude testament en evangelie niet per se het nieuwe. Wet wil zeggen , dat de tekst op ons dwingend overkomt  als Gods gebod en ons direkt confronteert met onze tekorten ten opzichte  daarvan. Van daaruit kunnen wij diezelfde tekst in een andere situatie ook lezen/ervaren als evangelie ( goede boodschap) omdat wij Gods belofte voor de toekomst daarin herkennen. Vanuit de benauwenis van de wet ontdekken wij dan de vreugde en vrijheid van het in diezelfde tekst opgesloten evangelie. Zo kunnen b.v. de tien geboden als een wet worden ervaren, een goddelijke wet ten opzichte waarvan wij weten toch telkens weer tekort te schieten. Maar we kunnen diezelfde geboden ( eigenlijk woorden) ook zien als aanwijzingen, als van God gegeven richtlijnen op de weg ten leven. Hierin ligt de belofte voor de toekomst en vreugde zal zich van ons meester maken, dat God ons deze woorden ten leven heeft geschonken. Wet en evangelie, een manier van lezen, altijd betrokken op onze persoonlijke situatie.

De twee kanten komen fraai tot uitdrukking in Luthers kleine catechismus als hij uitlegt wat  God zelf zegt van die geboden. “ Ik , de Heer uw God, ben een jaloerse God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht van wie mij haten. Maar aan hen die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden, doe ik barmhartigheid tot in duizend geslachten.”

Wat betekent dat, vraagt Luther zich af. Dan zegt hij:” God dreigt allen te straffen die deze geboden overtreden. Daarom moeten wij voor zijn toorn vrezen. Maar Hij belooft genade en alle goeds , die deze geboden houden. Daarom moeten wij Hem ook liefhebben en vertrouwen.”

Wet en evangelie. Vanuit een benauwd tekortschieten naar een bevrijdend evangelie. God spreekt ons aan. Waar het op aan komt is hoe wij Hem verstaan. Al lezende in de bijbel nu eens als wetsteller, dan weer als belofte op de weg ten leven. En dit in dezelfde tekst.

 

G. de Keizer

.............................................................

 

 

 


 

 

 *********************************************

 

 **********************************************